Bouwen aan ontbrekende passende zorg

Zorginstellingen zijn zoekende in het ontwikkelen van passende zorg voor onze doelgroep. Vaak is de zorgintensiteit een groot struikelblok omdat de benodigde inzet van personeel en andere extra investeringen maatwerk vereisen en niet renderen. In mijn opvatting lopen we binnen de bestaande systemen tegen de grenzen aan. Tijd voor een nieuw systeem. Maar eerst hebben we dan een nieuwe wijze van denken nodig: denken vanuit de leefwereld in samenhang met de wereld van de instellingen (systeemwereld), denken vanuit eenheid.

Voor een kwetsbaar iemand die thuis woont is de wereld buiten de deur erg groot en onoverzichtelijk en soms zelfs beangstigend. Als die buitenwereld ook nog eens ontoegankelijk is door letterlijk hoge drempels en mensen die je als ‘vreemde eend in de bijt’ bekijken, dan krijg je de neiging om weg te blijven. Je wereld wordt dan heel klein. Eenzaamheid en andere klachten kunnen dan toenemen. Als de voorzieningen die speciaal voor mensen ook nog eens niet aansluiten, dan voel je je compleet verlaten. Ook verwanten en mantelzorgers ervaren dit. Sommigen gaan vechten, maken stennis en maken marginale stapjes vooruit. Sommigen vallen helemaal weg in gelatenheid en onmacht en krijgen gezondheidsproblemen. Hoe dan ook: het complete netwerk wordt verzwakt want van beide strategieën word je moe, doodmoe.

Als je dit weet van elkaar en elkaar weet te vinden, is er ook de mogelijkheid om gezamenlijk vanuit een gedeelde zorg iets nieuws en beter passends te maken. Niets wereldschokkends maar een wereld van verschil met het nu.

Goed wonen, zinvolle dagactiviteiten, het hebben van sociale contacten, goede passende zorg- en ondersteuning en praktische hulp maken het thuis wonen goed mogelijk. In het aanbod van instellingen zin dit aparte producten/diensten. Bij het thuis wonen is integraal aanbod ervan noodzakelijk. Een dag kan er dan zo uitzien: de zorgvrager wordt uit bed gehaald door een verzorger, dan wordt die gewassen en aangekleed, het ontbijt wordt klaargemaakt en gegeven. De ontbijtspullen worden opgeruimd en omstreeks 9.30 wordt de zorgvrager startklaar gemaakt voor vertrek naar de dagbesteding. De ene dag duurt het wachten op de bus iets langer dan de andere dag. De dagbesteding duurt van 10.00 tot 15.00 uur. Daar wordt een algemeen programma gevolgd en zoveel mogelijk individueel zelf gewerkt. Groepsactiviteiten zijn 1 keer in de week zwemmen, een kwartier per dag bewegen of incidenteel een bezoek afleggen aan een activiteit buiten de dagbesteding. Georganiseerde groepsinteractie is er nauwelijks. Deelnemers maken gebruik van een gezamenlijke ruimte of lokaal waarbinnen zij zelfstandig individueel bezig zijn. Ieder doet zijn of haar ding naar eigen voorkeur. Wellicht prima voor mensen met enige mate van zelfredzaamheid en keuzes kunnen maken maar onvoldoende voor mensen die niet kunnen communiceren via woorden, plaatjes of gebaren en die overal fysieke ondersteuning bij nodig hebben. Zonder hulp van anderen hebben zij een passief leven en zijn ze thuis beter af. Emeritus hoogleraar prof. dr. Carla Vlaskamp, heeft hiervoor het begrip ‘lege uren’ gebruikt. Uit onderzoek blijkt dat het gehalte aan lege uren voor deze doelgroep erg groot is. Dit heeft gevolgen voor hun welzijn en gezondheid (voetnoot 1).

Als we vasthouden aan de gedachte: een goed leven bestaat onder andere uit het hebben van zinvolle daginvulling en we vertrekken vanuit de zorgvrager en niet vanuit het dagbestedingsaanbod dan kan het alternatief of het nieuwe aanbod er ook zo uitzien:

De behoefte aan 1-op-1 begeleiding en een bekende begeleider is het vertrekpunt. Het zorg- en ondersteuningsplan is op de behoeften en mogelijkheden van persoon gemaakt. Het activiteitenplan ook. Hiervoor maken we gebruik van een expertiseteam van een instelling en anders van een samengesteld expertiseteam van zelfstandig ondernemers in de zorg.

Thuis is de basis voor eet- en rustmomenten, voor het gebruik maken van een de computer en een verzorgingsmoment;

De voorzieningen in de instellingen in de nabijheid, buurt, wijk of stad/lokaal, zijn beschikbaar en toegankelijk voor het afnemen van individuele activiteiten en voor de duur die dan haalbaar is. Het liefst bevinden de voorzieningen zich in een beloopbare afstand. Daar waar die er niet zijn, kun je met de maatschappelijke welzijnsinstellingen wellicht bekijken hoe je die beschikbaar maakt binnen algemene voorzieningen. En als die er niet zijn, kun je kijken of je binnen scholen, kinderopvangcentra hiervoor een ruimte ter beschikking kunt stellen. De bekostiging gebeurt ook op een persoonsvolgend wijze, waarbij gebruik en kosten met elkaar in balans gebracht zijn. Ons principe blijft: delen gaat voor bezit. Voordat we zelf investeringen doen in een eigen centrum, onderzoeken we de mogelijkheden om een implementatiepartner te vinden.

Er zijn duidelijke groepsgerichte activiteiten waarbij de zorgvrager kan deelnemen, om ook het gevoel van ‘erbij horen’ en sociale interactie te stimuleren. Leren door zelf te participeren en tegelijkertijd anderen te observeren, de reacties van anderen te ervaren en de activiteit te beleven.

1. Carla Vlaskamp, Annet van der Putten e.a. verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen hebben hier onderzoek naar verricht en erover gepubliceerd.